Een werelds en vleselijk leiderschap in de kerk creëert wereldse en vleselijke Christenen en zorgt dat Christenen nog verder verwijderd worden van God en Zijn Woord en op dwaalwegen gaan wandelen. Dit leiderschap brengt geen volwassen Christenen voort, die bekend zijn met Gods wil en onderscheid hebben van goed en kwaad, maar wereldgelijkvormige pseudo Christenen, die een schijn van godsvrucht hebben maar hetzelfde leven leiden als de wereld en in zonde blijven volharden. Het is net als in de tijd van koning Josia, die in een goddeloze tijd leefde, waarin de voorgaande koningen en priesters de poorten van Gods tempel en het land voor de duivel en zijn legermacht hadden geopend en net als de heidenen goddeloos leefde in afgoderij, hekserij, toverij en hoererij en het hele volk meenam in hun heidense wandel en goddeloze praktijken. Maar Josia zocht de Heere en vond iets, dat een keer bracht in de goddeloosheid en afgoderij van het land en in Gods huis en Gods volk terugbracht naar de Heere en Zijn verbond en het Pascha in ere herstelde.
Is een kind te jong om de Heere God te dienen?
Vaak zeggen ouders dat hun kind te jong is voor de Bijbel en om de woorden van God te begrijpen. Maar ondertussen voeden zij hun kind op met de woorden en entertainment van de wereld en alle (occulte, seksuele onreine en gewelddadige) troep van de (sociale) media.
Je mag niet over de duivel en de geestelijke oorlogvoering spreken, maar ondertussen worden de kinderen in het licht van de wereld opgevoed met alle leugens van de duivel en de beelden en occulte troep van de duisternis en tot kinderen van de duivel gemaakt.

Josia was slechts acht jaar toen hij als koning van Juda werd aangesteld om het land te regeren. Hij regeerde 31 jaar in Jeruzalem.
God achtte Josia niet te jong om te regeren, anders had God hem niet uitgekozen en aangesteld als koning.
Al voor zijn geboorte tijdens het koningschap van Jerobeam, die kwaad deed in de ogen van God, kondigde God door de mond van de man Gods de geboorte van Josia en zijn rechtvaardige en heilige wandel aan.
God maakte niet alleen zijn naam bekend, maar ook zijn gehoorzaamheid aan God en zijn handelingen, die vanuit zijn gehoorzaamheid aan God zouden voortkomen (1 Koningen 13:1-6).
Alhoewel Josia’s vader, koning Amon, de Heere, de God van zijn voorouders, verliet en niet in de wegen van de Heere wandelde, maar deed wat kwaad is in de ogen van de Heere en net zo wandelde als zijn vader Manasseh, die niet naar God luisterde, maar het volk misleidde en de mensen aanzette tot het kwaad en gruwelijkheden en boosheid bedreef en andere goden diende en onschuldig bloed deed vloeien, en dezelfde afgoden die zijn vader diende en aanbad in de plaatsen die hij voor hen had gebouwd, volgde Josia het voorbeeld van zijn vader niet op.
Deze woorden, die ik u heden gebied, moeten in uw hart zijn. u moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat
Deuteronomium 6:6-7
Koning Josia zocht God en deed wat goed is in de ogen van de Heere
In het achtste jaar van zijn koningschap, op 16 jarige leeftijd, zocht Josia de Heere. En rond zijn 20e jaar in het twaalfde jaar van zijn koningschap, begon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de hoogten, de gewijde palen, en de gesneden en gegoten beelden.
Ook in de steden van Manasse, Efraïm en Simeon en Naftali, brak hij de altaren en de gewijden palen af en sloeg hij de gesneden beelden tot gruis. Al de wierookaltaren in het hele land Israël hieuw hij om.
Josia deed wat goed was in de ogen van de Heere, zoals de man Gods had geprofeteerd. Hij zocht niet alleen de God van zijn vader David, maar hij wandelde ook op de wegen van zijn vader David en week niet af naar rechts of naar links.
Josia begon met het reinigen van Juda en Jeruzalem in het twaalfde jaar van zijn koningschap. Of Josia alle afgoderij had weggedaan uit het land en de tempel na het zoeken van de Heere in het achtste regeringsjaar (overeenkomstig 2 Kronieken 24) en het horen van het woord des Heeren, dat ook door de profeet Jeremia tot hem kwam vanaf het 13e regeringsjaar, of dat Josia alle afgoderij wegdeed in het 20e jaar, na het vinden van het wetboek des Heeren in de verwaarloosde tempel van God en het horen van de woorden van het verbond (overeenkomstig 2 Koningen 22), één ding is zeker, toen Josia achter de waarheid van God kwam was hij gehoorzaam aan het woord en de wil van de Heere en verwijderde hij álles uit het land en uit het huis van de Heere (de tempel) wat voor God een gruwel was.
Koning Josia stuurde de schrijver Safan naar het huis van de Heere
In het achttiende jaar van zijn koningschap toen hij bezig was het land en de tempel te reinigen, zond Josia de schrijver Safan naar het huis van de Heere naar de hogepriester Chilkia en gebood hem om al het geld gereed te leggen, dat in het huis van de Heere gebracht was en het geld te geven aan de opzichters, die waren aangesteld over het huis van de Heere en toezicht hielden op het werk aan de tempel, zodat die het geld weer aan de uitvoerders van het werk konden geven om de bouwvallige gedeelten van het huis van de Heere te herstellen.

God zag de overspelige priesters en hun afgoderij en boosheid, die Zijn huis hadden verontreinigd.
Hij zag de overspelige koningen, die met hun afgoderij en boosheid het land hadden bevuild en ervoor hadden gezorgd dat de oudsten en inwoners van het land hun voorbeeld navolgden.
God had zowel de bouw van Zijn tempel en de inzetting van de tempeldienst als het begin van de aftakeling van de tempel en de verwaarlozing en de verontreiniging van de tempeldienst door koning Salomo, de zoon van David, aanschouwd.
Dit alles gebeurde enkel doordat Salomo’s liefde voor (heidense) vrouwen groter was dan zijn liefde voor God en zijn seksuele omgang met vrouwen belangrijker was dan zijn dienst voor God.
De langzame aftakeling van Gods huis en de zonde in het land, dat begonnen was sinds de aanstelling van koning Salomo was onder het koningschap van Manasse zo groot geworden, dat God moest ingrijpen overeenkomstig de wetten in het universum.
De hogepriester Hilkia vond het wetboek in het huis van de Heere
En zo gebeurde het, dat de hogepriester Chilkia het wetboek vond in het huis van de Heere en deze gaf aan Safan. Safan las het wetboek en deed vervolgens verslag bij de koning.
Safan las de woorden van het wetboek aan koning Josia voor. Na het horen van de woorden scheurde Josia zijn klederen. Dat was de uitwerking van de woorden van God in het leven van de toegewijde Josia.
De woorden van God lieten hem niet onverschillig. Ook verbrande hij niet het wetboek, zoals zijn zoon. Maar de woorden van God brachten berouw en verootmoediging voor de Heere voort en het besef hoe groot het kwaad was dat het volk bedreef en hoe groot de gramschap van de Heere was, die over het volk ontbrand was, omdat de vaderen van het volk niet naar de woorden van het wetboek van God hadden geluisterd en niet hadden gedaan wat hen voorgeschreven was, maar de woorden en geboden van God hadden verworpen.
Josia gebood de priester Chilkia, Achikam (de zoon van Safan), Abdon (de zoon van Mika, de schrijver Safan en Asaja, de dienaar van de koning, om de Heere te raadplegen, voor hem en voor de overgebleven inwoners van Israël en Juda omtrent de woorden van het wetboek dat gevonden was.
De mannen gingen heen en bezochten de profetes Hulda en spraken met haar (2 Koningen 22:3-14; Kronieken 34:8-22).
De profetes Hulda profeteerde onheil over het land
De profetes Hulda bakte geen zoete broodjes en sprak geen woorden, die hun oren streelden, maar zij sprak de woorden van God, die onheil verkondigden.
De Heere zei, dat Hij onheil over de plaats en haar inwoners zou brengen. God zou al de vervloekingen die geschreven staan in het wetboek over hen brengen, omdat zij Hem hadden verlaten en andere goden reukoffers hadden gebracht, zodat zij God tot toorn hadden verwekt met al het werk van hun handen en Hem hadden gekrenkt.
Door dit alles zou Gods grimmigheid ontstoken worden tegen die plaats en niet uitgeblust worden.
God zei tegen koning Josia, dat vanwege de weekheid van zijn hart en zijn verootmoediging voor het aangezicht van de Heere, toen hij hoorde wat God gesproken had tegen de plaats en haar inwoners en dat zij een voorwerp van ontzetting (verwoesting) en van vervloeking zouden worden, en hij zijn klederen gescheurd had en geweend had voor Gods aangezicht, Hij hem had gehoord en hierdoor in vrede in zijn graf bijgezet zou worden en zijn ogen niets zouden zien van het onheil dat God over die plaats zou brengen (2 Koningen 22:14-20; 2 Kronieken 34:22-28).
De handelingen van koning Josia na het horen van het woord van God
In plaats dat de koning van Juda na het horen van deze woorden zich neerlegde bij het woord van God en verder ging met zijn eigen leven en rustig afwachtte tot de Heere hem zou halen en hij in het graf bijgezet zou worden, kwam Josia in actie.
Josia zond een boodschap en men riep al de oudsten van Juda en Jeruzalem tot hem bijeen (2 Koningen 23:1; 2 Kronieken 34:29).
Koning Josia sloot een verbond voor het aangezicht van de Heere
Als eerste ging koning Josia naar het huis van de Heere en las aan de mannen van Juda en al de inwoners van Jeruzalem, de priesters, de profeten en het gehele volk, van klein tot groot, al de woorden van het wetboek van het verbond voor, dat in het huis van de Heere (de tempel) was gevonden.
Vervolgens ging koning Josia bij de zuil (pilaar) staan en sloot een verbond voor het aangezicht van de Heere, om de Heere te volgen en met heel hun hart en heel hun ziel Zijn geboden, getuigenissen en inzettingen te onderhouden en de woorden van het verbond, die in het wetboek geschreven stonden, uit te voeren.
Het hele volk trad toe tot het verbond (2 Koningen 23:2-3; 2 Kronieken 34:30-32).
Koning Josia verwijderde de heidense voorwerpen van afgoderij uit het huis van de Heere
Na het sluiten van het verbond gebood Josia de hogepriester Chilkia en de priesters van de tweede orde en de dorpelwachters, om al het gerei dat voor de Baäl, de Asjera (een Kanaänitische godin) en het gehele heer des hemels gemaakt was, uit de tempel van de Heere naar buiten te brengen.
Hij verbrandde deze buiten Jeruzalem op de velden van de Kidron en bracht de as ervan naar Betel (2 Koningen 23:4).
Koning Josia zette de afgodspriesters af
Koning Josia zette de afgodspriesters af, die de koningen van Juda hadden aangesteld om op de offerhoogten in de steden van Juda en rondom Jeruzalem reukoffers te brengen. Evenals hen die aan de Baäl, de zon, de maan, de sterrenbeelden en heel het leger aan de hemel reukoffers brachten (2 Koningen 23:5).
Koning Josia verwijderde de Asjera uit de tempel
Ook bracht koning Josia de Asjera (de gewijde paal) uit het huis van de Heere naar de beek Kidron, buiten Jeruzalem, en verbrandde hem bij de beek Kidron. Hij verpulverde hem tot stof, en wierp het stof ervan over de begraafplaats van het gewone volk (2 Koningen 23:6).
Koning Josia brak de verblijven van de schandknapen af
Na het zuiveren van Gods huis en het verwijderen van de afgodsbeelden, brak Josia de verblijven van de aan ontucht gewijde mannen af (schandknapen, sodomieten, mannen die als tempelhoer werkten (voor mannen)) in het huis van de Heere, waar de vrouwen gewaden voor de Asjera weefden (2 Koningen 23:7).
Koning Josia reinigde het land en liet al de priesters uit de steden van Juda komen
Koning Josia liet al de priesters uit de steden van Juda komen en verontreinigde de offerhoogten, waarop die priesters reukoffers hadden gebracht, van Geba af tot Berseba toe.
Verder brak Josia de offerhoogten bij de poorten af, ook die bij de ingang van de poort van Jozua, de leider van de stad, aan de linkerhand als men de stadspoort binnenkomt.
De priesters van de offerhoogten offerden echter niet op het altaar van de Heere in Jeruzalem, maar zij mochten wel ongezuurde broden te midden van hun broederen eten (2 Koningen 23:8-9)
Koning Josia verontreinigde ook Tofet, in het dal van Ben-Hinnom
Josia verontreinigde ook Tofet, dat in het dal Ben-Hinnom lag, opdat niemand zijn zoon of dochter voor de Molech door het vuur zou laten gaan (2 Koningen 23:10).
Koning Josia verwijderde de paarden, die de koningen aan de zon hadden gewijd
Josia haalde de paarden weg, die de koningen van Juda aan de zon hadden gewijd, van de ingang van het huis van de Heere bij de kamer van de hoveling Netanmelek, die zich in de bijgebouwen bevond. En de zonnewagens verbrandde hij met vuur (2 Koningen 23:11).
Koning Josia brak de altaren af op het dak van Ahaz’s bovenvertrek en in de twee voorhoven van Gods huis
Ook de altaren op het dak van de bovenzaal van Achaz, die de koningen van Juda gemaakt hadden, en de altaren, die Manasse gemaakt had in de twee voorhoven van het huis van de Heere, brak de koning af.
Josia voerde ze vandaar af en wierp het stof ervan in de beek Kidron (2 Koningen 23:12).
Koning Josia verontreinigde de offerhoogten op de berg der verwoesting
Ook de offerhoogten ten oosten van Jeruzalem, ten zuiden van de berg der verwoesting, die Salomo, de koning van Israël, gebouwd had voor Astoret (Astarte), de gruwel (afschuwelijke afgod) van de Sidoniërs, en voor Kemos, de gruwel van Moab, en voor Milkom, de afschuw van de Ammonieten, ook die verontreinigde de koning.
Hij verbrijzelde de gewijde stenen en hakte de gewijde palen om, en vulden die plaats op met mensenbeenderen (2 Koningen 23:13-14).
Koning Josia brak het altaar in Betel af overeenkomstig het woord van de man Gods
Ook het altaar dat in Betel stond en de offerhoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, gemaakt had, brak hij af. Hij verbrandde de offerhoogte en verpulverde die tot stof en verbrandde de gewijde paal.
Toen Josia zich omkeerde en de graven zag, die daar op de berg waren, stuurde hij boden en liet de beenderen uit de graven halen. Vervolgens verbrandde hij ze op het altaar en verontreinigde dat, overeenkomstig het woord van de Heere dat de man Gods verkondigd had, die deze woorden verkondigde.
Enkel het graf van de man Gods uit Juda, die over koning Josia geprofeteerd had, bleef ongeschonden (2 Koningen 23:15-18).
Koning Josia verwijderde de tempels op de hoogten in de steden van Samaria
Josia verwijderde al de tempels op de hoogten in Samaria, welke de koningen van Israël gemaakt hadden om de Heere te krenken (tot toorn te verwekken) en deed er hetzelfde mee als hij in Betel gedaan had.
Hij slachtte al de priesters van de offerhoogten die daar waren, op de altaren, en verbrandde daarop mensenbeenderen (2 Koningen 23:19-20).
Na de zuivering van Gods huis en land, keerde Josia terug naar Jeruzalem en vierde het Pascha
Na de zuivering van Gods huis en het land keerde koning Josia terug naar Jeruzalem, waar hij samen met het volk het Pascha vierde, zoals beschreven stond in het wetboek van het verbond (2 Koningen 23:19-23; 2 Kronieken 35:1-19).
Josia rekende af met de dodenbezweerders, waarzeggers, afgodsbeeldjes, stinkgoden en de gruwelijkheden
Josia rekende ook af met de dodenbezweerders, de waarzeggers, de afgodsbeeldjes (terafim), de stinkgoden en al de gruwelen (de afschuwelijk afgoden) die in het land van Juda en in Jeruzalem aangetroffen werden.
Alles deed Josia weg, om zo de woorden van de wet, die beschreven waren in het wetboek, dat de hogepriester Chilkia in het huis van de Heere had gevonden, uit te voeren. (2 Koningen 23:24)
Een verootmoediging, bekering en uitvoering van Gods woorden in het wetboek
Dit alles bracht het zoeken naar God en het vinden van het wetboek des Heeren, dat hoorde bij het verbond dat God gesloten had met Zijn volk, teweeg.
De woorden van God brachten verootmoediging en bekering voort in het leven van Josia. Door het gehoorzamen van de woorden van God, die beschreven stonden in het wetboek, verwijderde koning Josia alle afgoderij, (seksuele) onreinheden en boze werken van de duisternis en zuiverde het huis van de Heere (de tempel), het land, en de levens van mensen.
Josia verwijderde al de gruwelen uit al de landstreken die aan de Israëlieten toebehoorden, en bracht alle mensen die zich in Israël bevonden, tot de dienst van de Heere hun God.
Gedurende het leven van koning Josia, bleef Gods volk trouw aan de woorden van het wetboek en het verbond. Gods volk week niet af van de Heere, de God van haar vaderen (2 Kronieken 34:33)
God keerde Zich niet af van Zijn grote brandende toorn
Maar ondanks de verootmoediging, bekering en gehoorzaamheid van koning Josia en de werken die daaruit voortkwamen, keerde de Heere Zich niet af van Zijn hevige brandende toorn, die ontvlamd was tegen Juda, vanwege al zijn tergen waarmee Manasse Hem tot toorn verwekt had.
God zei, dat Hij ook Juda van Zijn aangezicht zou wegdoen, net als Israël, en de stad Jeruzalem zou verwerpen, die Hij verkozen had, en het huis waarvan God gezegd had dat Zijn Naam daar zou zijn.
En de Heere deed overeenkomstig Zijn woord.
Nadat koning Josia stierf, stond Nebuchadnesar op tijdens het koningsschap van zijn zoon en nam Juda en Jeruzalem in bezit (2 Koningen 23:26-27).
God spreekt altijd en waarschuwt de mens voor het onheil
God doet nooit iets zonder de mens eerst te waarschuwen en deel te maken van Zijn plan. Dat deed God o.a. bij Noach, Abraham, Mozes, de profeten, bij Jezus (het Woord) en ook bij de nieuwe mens door de Bijbel en de Heilige Geest.
Dit gebeurde ook bij Josia, toen hij de Heere zocht en deed wat goed was in de ogen van de Heere, maar onwetend was omtrent het wetboek en de woorden van het verbond en het onheil dat God over Juda en Jeruzalem zou brengen.

God bracht een gedachte in zijn denken, die uiteindelijk leidde tot het vinden van het wetboek des Heeren en van het verbond door de priester Chilkia in het huis van de Heere.
Wij kunnen hieruit concluderen dat Chilkia, de hogepriester, ook niet het wetboek hanteerde, maar wandelde overeenkomstig de (menselijke) kennis en voorschriften die hem waren aangeleerd.
Net als veel dominees, voorgangers en pastors ook een leer en voorschriften verkondigen en aanhangen, die hen is aangeleerd en geboren is uit het menselijk verstand en zienswijze in plaats van de Geest van God en het Woord van God.
Koning Josia had een nederig hart en was door God aangesteld om de bouwvallige tempel te herstellen en al de zonde en alle heidense troep in het huis van God en in het land (die door het koningschap van Salomo en zijn liefde voor heidense vrouwen (wereldse vrouwen) Gods tempel en het land was binnengekomen en had verontreinigd en door zijn zonen enkel verergerde). te verwijderen, en het volk doen terugkeren tot het verbond van de Heere, Zijn woorden uit te voeren, en het heilige Pascha te herdenken en vieren.
De erbarmelijke staat van de kerk
De staat van de kerk is net als het verwaarloosde huis van God en het goddeloze land van Juda in de tijd van Josia, erbarmelijk.
God spreekt en God waarschuwt, maar de mensen die zich Christen noemen en de kerk leiden of bezoeken zijn hardhorend en willen niet luisteren. Zij weigeren zich te verootmoedigen voor God en zich te onderwerpen aan het Woord.
Net als het wetboek verborgen lag in het huis van God, zo ligt de Bijbel in veel huizen onder het stof en zijn de woorden van God verborgen voor de mens.
De mensen lezen en bestuderen niet meer zelf de Bijbel, maar voeden zich- en vertrouwen op de woorden van de voorganger en oudsten, die niet allemaal wedergeboren en geestelijk zijn en wandelen naar de Geest en de woorden van God spreken, maar vleselijk zijn en daardoor hun eigen woorden spreken, die voortkomen uit een werelds denken en de gezindheid van het vlees, en wandelen overeenkomstig de wil, lusten en begeerte van het vlees.
En dat is te zien door de vrucht die zij dragen in hun leven en de werken die zij doen (o.a. Mattheüs 7:16-20; Lukas 3:8; Galaten 5:16-26).
Een geestelijk zwak en ziek leiderschap
Doordat het leiderschap geestelijk zwak en soms zelfs ziek is, zijn de kerkbezoekers ook geestelijk zwak en ziek. Veel Christenen zijn vleselijk (ongeestelijk) en doen niet meer wat er staat geschreven in de Bijbel, omdat dit wettisch en niet meer van deze tijd is.
Alles moet modern zijn en de kerk moet met haar tijd meegaan, waardoor de kerk een humanistische sociale beweging is geworden, die gericht is op aardse activiteiten en amusement, en waar het draait om de beleving en niet meer om het winnen en behouden van zielen en het opgroeien van de kinderen van God in heiligheid en gerechtigheid door de woorden van God in de kracht van de Heilige Geest.
En zo worden zij geleid door de wereldgeest en spreken zij de woorden van de wereld en leven zij als de wereld in zonde en afgoderij en vinden dit alles heel normaal.
De leer en praktijken van de wereld zijn overgenomen in de kerk
De leer en (occulte, onreine) dingen en beleving van de wereld zijn heel langzaam overgenomen en toegepast in de kerk en verchristelijkt. Het is zo langzaam gegaan dat bijna niemand het door heeft.
En zo heeft de kerk zich vermengd met de wereld en worden er allerlei vormen van yoga (christelijke yoga, tikva, christelijke yoga, crossyoga, holy yoga, yogafaith, tikva) en martial arts, fitness, mindfulness, meditatie, paardentherapie (equitherapie, hippotherapie), en andere heidense methoden, rituelen en praktijken gepraktiseerd in de kerk en seksuele onreinheden getolereerd.
Waar koning Josia afrekende met de afgoderij in Gods huis en het land en de paarden, die gebruikt werden voor heidense rituelen, verwijderde, daar haalt de kerk de afgoderij en de paarden voor therapie, die afkomstig is vanuit de leer van hippocrates (een geneesheer in de Asklepius tempel en grondlegger van de medische wetenschap), binnen. Omdat zij niet geestelijk maar vleselijk zijn, hebben zij meer geloof in (emotionele, mentale en/of lichamelijke) genezing door een paard dan geloof in de Naam van Jezus Christus.
Alles is binnengelaten en genormaliseerd door een vleselijk en werelds leiderschap in de kerk, die God bedroeft en Jezus Christus en het evangelie tot een bespotting maakt.
Maar zij vergeten één ding. God is en blijft dezelfde.
de almachtige ‘Ik ben‘
De afgoderij, toverij, hoererij en al de andere gruwelen, die bedreven werden onder het leiderschap van afvallige en overspelige koningen en priesters in het land en in het huis van de Heere, werden niet getolereerd door God.
En dit alles wordt nog steeds niet getolereerd door God de Vader, Jezus Christus de Zoon en het levende Woord en de Heilige Geest, wat mensen ook zeggen.
Maar ook dit heeft God voorspeld en Hij zal Zijn plan, dat beschreven staat in de Bijbel, volvoeren. En als de maat van de zonde vol is, dan zal de antichrist opstaan en het onheil over de aarde komen. Net als God het onheil over Juda en Jeruzalem deed komen door het opstaan van Nebukadnessar.
‘Wees het zout der aarde’



