Het pad van de rechtvaardige is geheel effen,
recht is het spoor dat U voor de rechtvaardige baant
(Jesaja 26:7)
De vromen zullen immers de aarde bewonen,
en de oprechten zullen erop overblijven
(Spreuken 2:21)
De weg van de Heere is kracht voor de oprechte,
maar de ondergang voor hen die onrecht bedrijven
(Spreuken 10:29)
De oprechtheid van de oprechten leidt hen,
maar de verkeerdheid van de trouwelozen verwoest henzelf
(Spreuken 11:3)
De gerechtigheid van de oprechten zal hen redden,
maar de trouwelozen worden gevangen in hun eigen begeerten
(Spreuken 11:4)
Door de zegen van de oprechten wordt een stad verheven,
maar door de mond van goddelozen wordt ze met de grond gelijkgemaakt
(Spreuken 11:11)
De verkeerden van hart zijn voor de Heere een gruwel,
maar de oprechten van weg zijn Hem welgevallig
(Spreuken 11:20)
De woorden van de goddelozen loeren op bloed,
maar de mond van de oprechten zal hen redden
(Spreuken 12:6)
Gerechtigheid behoedt wie oprecht van weg is,
maar goddeloosheid stort een zondaar in het verderf
(Spreuken 13:6)
Het huis van de goddelozen zal weggevaagd worden,
maar de tent van de oprechten zal in bloei staan
(Spreuken 14:11)
Het offer van goddelozen is voor de Heere een gruwel,
maar het gebed van oprechten is Hem welgevallig
(Spreuken 15:8)
De gebaande weg van oprechten is zich af te keren van het kwade:
wie zijn weg in acht neemt, bewaart zijn ziel
(Spreuken 16:17)
Een goddeloze man trekt een stalen gezicht,
maar een oprechte, die versterkt zijn weg
(Spreuken 21:29)
Wie oprechten doet dwalen op een verkeerde weg, zal zelf in zijn kuil vallen,
maar wie oprecht zijn, zullen het goede erven
(Spreuken 28:10)
Bloeddorstigen haten de vrome,
maar oprechten zoeken zijn behoud
(Spreuken 29:10)
Een man die onrecht doet, is een gruwel voor rechtvaardigen,
maar wie oprecht van weg is, is een gruwel voor een goddeloze
(Spreuken 29:27)
Het pad van rechtvaardigen is als een schijnend licht,
dat gaandeweg helderder gaat schijnen tot het volledig dag is geworden
(Spreuken 4:18)



